Landschapsecologische Systeemanalyse (LESA): Wat is een LESA en waarom is het onmisbaar voor natuurherstel?

Interreg | 30/09/2026

Herstelwerken Laakvalleien (c) Katrien Wijns

Wat is een LESA en wat is het doel ervan?

Een landschapsecologische Systeem Analyse (LESA) is een tool om meer inzicht te krijgen in het hedendaags en historisch functioneren van een ecosysteem als geheel. Landschapsgericht en ecosysteemgericht denken staat hierin centraal. Voor het opmaken van een LESA wordt gebruik gemaakt van multidisciplinaire kennis. Onderwerpen als geologie, historie, hydrologie, hydrochemie, bodemkunde en ecologie komen allemaal aan bod. Deze combinatie van onderwerpen vormt de basis voor het begrijpen van het hedendaags functioneren van ecosystemen, dit is uiteindelijk het doel van een LESA. Het brengt eveneens de grootste potenties van het gebied in kaart, evenals de knelpunten die deze hypothekeren. Dit vormt de basis voor gerichte en wetenschappelijk onderbouwde herstelmaatregelen.

Waarom een LESA en wanneer te gebruiken?

De website van natuurkennis.nl zegt hierover het volgende “Een LESA is vooral relevant bij alle voorgenomen maatregelen waarbij mogelijke invloeden vanuit het omringende landschap bepalend kunnen zijn voor het succes van het herstel. Denk aan beekherstel, hydrologisch herstel van natuur, natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden en herstel na verrijking of verdroging van natuurgebieden.”

Bij uitbreiding, ook bij voorgenomen maatregelen waarvoor dit niet geldt is het essentieel om zowel de ruimtelijke als historische context van het gebied te kennen, o.a. om de juiste doelen in het gebied te kunnen stellen.

Hoe ziet een LESA eruit?

Een LESA bestaat uit een multidisciplinaire studie van het landschap/ecosysteem als geheel. Het volgt een logische bottom-up benadering, waarvoor diverse rangordemodellen zijn opgesteld (o.a. Bakker et al. (1979), Figuur 1). Dit rangordemodel is vrij basaal maar illustreert de hiërarchische opbouw van een ecosysteem. Inmiddels is dit model verder verfijnd, waarbij o.a. meerdere elementen van het biotisch systeem en de invloeden van de mens geïncorporeerd zijn.

Al deze landschapscomponenten of milieucompartimenten hebben een invloed op de hedendaagse flora en fauna. Bijkomend beïnvloeden ze elkaar, echter is er wel sprake van een bepaalde hiërarchie. Een component van een hogere orde (bijvoorbeeld geologie) heeft vaak meer invloed op een lagere factor (waterkwaliteit, of reliëf) dan andersom. Bij het opstellen van een LESA wordt deze hiërarchie dan ook gevolgd. Dit betekent overigens niet per definitie dat componenten van een lagere orde geen invloed uitoefenen op componenten van een hogere orde.

 

In een LESA wordt het functioneren van het ecosysteem op verschillende schaalniveaus in kaart gebracht zowel temporeel (1 & 2) als ruimtelijk (a,b,c) (Figuur 2).

  1. Hedendaags (wat zijn de huidige sturende eigenschappen en factoren?)
    1. Positioneel (wat zijn de grote sturende eigenschappen en factoren op landschapsschaal?)
    2. Conditioneel (standplaatsfactoren van een vegetatie of levensgemeenschap)
    3. Operationeel (relatie tussen individuele planten en omgeving, het wortelmilieu)
  2. Historisch (wat zijn de historisch sturende eigenschappen en factoren?)

De temporele factor kijkt naar veranderingen in klimaat, begroeiing, menselijke invloeden (bedijken, inpolderen, turfwinning, ontbossen, voormalig landgebruik etc.) om het ontstaan van het landschapsecologisch systeem te kaderen en de potenties en hedendaagse knelpunten voor het herstel hiervan in kaart te brengen.

In de volgorde van de ruimtelijke schaalniveaus (a-c) zit eveneens een onderlinge hiërarchie vervat. Het derde schaalniveau (operationeel) is over het algemeen minder relevant, omdat in een LESA net naar de grotere lijnen wordt gekeken.

Figuur 2: Illustratie van de relaties op verschillende schaalniveaus naar Van Wirdum (1979), uit het Handboek Ecohydrologische Systeemanalyse Beekdalen / Jalink & Jansen, (1995)

Praktijkcasus

In het Interreg project Admire zijn er in het kader van veenherstel voor een 5-tal beekvalleien een LESA opgemaakt. Een goed voorbeeld van een LESA die nieuwe inzichten heeft gegeven over effecten op landschapsschaal ten opzichte van het lokale functioneren van het ecosysteem, is die van de Laakvalleien.

De Laakvalleien is een verzamelnaam voor de vallei van de Grote Laak en de vallei van de Kleine Laak. Ze vormen de overgang tussen de Zuiderkempen in het noorden en het Hageland in het zuiden. De Laakvalleien zijn een type voorbeeld van een sterk gedegradeerd Kempische beekvallei. Beide valleien kampen met een sterke degradatie van de nog aanwezige veenpakketten en natuurwaarden, met name door de gebruikelijke factoren, verdroging, en vervuiling/eutrofiering. Desondanks verschillen de dominante mechanismen hierachter, waardoor het herstel van beide valleien een passende aanpak vereist.

De Grote Laak functioneert grotendeels nog als een typische beekvallei, waarbij de beek zelf de drainagebasis vormt en waarbij de typische hydrologische gradiënt binnen de vallei nog aanwezig is. De Grote Laak kampt echter met een sterke erfenis van een historische vervuiling door een groot chemiebedrijf. Dit levert niet alleen problemen op in de beek zelf maar beïnvloedt grote delen van de vallei ten tijde van overstromingen. Veel van de historische aanwezige veenpakketten zijn ontgonnen, en de resterende veenpakketten degraderen door de aanwezigheid van een groot drainagenetwerk van grachten en vijvers.

De Grote Laak wordt momenteel gesaneerd om de vervuilde slibbodem te verwijderen, zodanig dat de natuurlijke overstromingsdynamiek hersteld kan worden. Er zijn daarnaast voorstellen om de grootste drainerende factoren aan te pakken o.a. opstuwen en hermeanderen van de Grote Laak en dempen van aanwezige drainagestructuren in de vallei, om de natuurlijke sponswerking van het gebied te vergroten.

Figuur 3: Ecohydrologische dwarsdoorsnede van de vallei van de Kleine Laak

In de vallei van de Kleine Laak is het minder eenvoudig

De vallei van de Kleine Laak functioneert niet meer als een typische beekvallei, er zijn meerdere lopen door de vallei aangelegd, de typische hydrologische gradiënt ontbreekt en grondwaterstanden zakken tot ver onder de beekbodem weg (Figuur 3). Dat is niet zo gek, want door de aanleg van het Albertkanaal in de jaren 30 van de 20e eeuw is het intrekgebied van de beek gehalveerd. Daarenboven wordt er jaarlijks ongeveer 75% van de grondwateraanvulling onttrokken binnen het resterende intrekgebied.

De vallei van de Kleine Laak heeft door al deze factoren misschien minder potentieel voor herstel van uitzonderlijk grondwaterafhankelijke natuur met veenvegetaties die permanent hoge en stabiele grondwaterstanden vereisen. Dat betekent niet dat er geen kansen zijn. Integendeel. Dit uitgestrekte open landschap biedt heel wat mogelijkheden voor natuurherstel én natuurbeleving.

De focus ligt daarom op wat wél mogelijk is: het beschermen van de resterende veenpakketten en het versterken van de natuurlijke sponswerking van het landschap. Door grachten lokaal aan te pakken, water langer vast te houden en het beekdebiet waar mogelijk te ondersteunen, kunnen nattere omstandigheden worden gecreëerd. Een permanent hoog grondwaterpeil is wellicht niet overal haalbaar, maar zeker in natte perioden – die door de klimaatverandering vaker extremer worden – biedt extra waterberging kansen om water langer in het gebied vast te houden. Dat komt niet alleen de natuur ten goede, maar ondersteunt ook een duurzame drinkwatervoorziening en maakt het landschap weerbaarder tegen de gevolgen van een veranderend klimaat.

De sanering van de Grote Laak en het rivierherstel hebben daarin alvast een eerste stap gezet. Doordat de drainagebasis er minder diep ligt, stroomt ook de Kleine Laak vandaag minder snel leeg. Dat biedt nieuwe perspectieven voor het herstel van de hele vallei.

Deze complexiteit in het gebied toont aan waarom een voorafgaande ecohydrologische studie van het ecosysteem als geheel noodzakelijk is. Hoewel veel beekvalleien gelijkaardige problemen kennen, zijn de mechanismen hierachter vaak vallei-specifiek. Daarenboven, beperken problemen - en oplossingen hiervoor- zich vaak niet tot een projectgebied, wat een ecosysteem-brede benadering van veen- en natuurherstel vereist.

Deel deze pagina