Schrijf prestaties voor, geen vaste houtsoorten

Wie hout duurzaam wil inzetten, moet afstappen van een korte lijst met vertrouwde soorten. Niet lokaal tegenover tropisch, maar de benodigde prestaties, aantoonbaar verantwoord bosbeheer en een bredere benutting van de diversiteit in het bos moeten het vertrekpunt zijn. Wij spraken Els Franssens, onderzoeker houttechnologie aan HOGENT.

Interreg | 13/07/2026

Hout

 

Hout kan een hernieuwbaar, koolstofbergend en circulair bouwmateriaal zijn, op voorwaarde dat het verantwoord wordt geoogst, zorgvuldig wordt toegepast en lang meegaat. Toch begint de materiaalkeuze in de bouw nog vaak met de naam van een vertrouwde houtsoort. Volgens Els Franssens, onderzoeker houttechnologie aan HOGENT, moeten we die redenering omkeren. "De eerste vraag is niet of een houtsoort lokaal of tropisch is. We moeten eerst bepalen welke prestaties voor een toepassing nodig zijn en daarna bekijken welk hout uit een aantoonbaar verantwoord beheerde keten daaraan kan voldoen."

Van soortenlijst naar prestatie-eisen

In bestekken worden houtsoorten haast als merknamen gebruikt. Dat geeft ontwerpers en aannemers een gevoel van zekerheid, maar het vernauwt ook de markt. Telkens dezelfde bekende soorten worden gevraagd, terwijl minder bekende of onderbenutte houtsoorten al worden uitgesloten voordat hun geschiktheid is onderzocht. Dat geldt zowel voor lokaal als voor tropisch hout.

Prestatiegericht voorschrijven vertrekt van de functie van het houten element. Welke sterkte en stijfheid zijn vereist? Aan welke vochtbelasting wordt het blootgesteld? Hoe belangrijk zijn vormstabiliteit, gewicht, bewerkbaarheid en uitzicht? Welke levensduur en welk onderhoudsniveau worden verwacht? Welke afmetingen moeten beschikbaar zijn en hoe wordt de herkomst gedocumenteerd? Wanneer die eisen helder zijn, kan de houtsector een of meer geschikte oplossingen voorstellen.

Azobé illustreert waarom een soortnaam op zichzelf geen goed voorschrift is. Het is een zeer zware houtsoort die door haar eigenschappen geschikt kan zijn voor zware waterbouwkundige toepassingen, maar ze is te zwaar en onvoldoende vormstabiel voor buitenschrijnwerk. De conclusie is niet dat azobé door één welbepaalde lokale soort moet worden vervangen. De conclusie is dat elke toepassing haar eigen combinatie van prestaties vraagt. Een gevelbekleding, een raamprofiel, een terrasplank en een dragende balk vragen niet hetzelfde hout.

"Een architect hoeft de eigenschappen van honderden houtsoorten niet uit het hoofd te kennen", zegt Els. "De ontwerper moet de vereiste prestaties correct omschrijven. Houthandelaars, zagerijen, producenten en onderzoekers kunnen vervolgens adviseren welke bekende én minder bekende soorten geschikt en beschikbaar zijn."

Lokaal en tropisch zijn geen tegenpolen

Els wil niet het beeld wekken dat tropisch hout moet verdwijnen. "Ik ben niet tegen tropisch hout. Ik ben tegen het automatische gebruik van telkens dezelfde houtsoorten. Tropisch hout uit aantoonbaar duurzaam beheerde en legaal geoogste bossen kan technisch zeer waardevol zijn. Een economisch leefbare, verantwoorde bosbouw kan bovendien bijdragen aan het behoud van bos en aan inkomsten voor lokale gemeenschappen. Maar alleen het feit dat hout wordt gebruikt, is nog geen garantie voor duurzaam bosbeheer. Herkomst, traceerbaarheid en de manier van oogsten blijven cruciaal."

De huidige markt behandelt het bos te vaak als een catalogus met een handvol vertrouwde namen. Daardoor concentreert de vraag zich op een beperkt aantal soorten, terwijl een bos juist uit een grote diversiteit bestaat. Veel andere soorten krijgen nauwelijks economische waarde, ook al kunnen ze voor bepaalde toepassingen geschikt zijn. Prestatiegericht voorschrijven geeft leveranciers ruimte om ook onderbenutte lokale en tropische houtsoorten aan te bieden, binnen de ecologische grenzen van het bosbeheer.

Ook de verwijzing naar CITES vraagt nuance. Wanneer de internationale handel in een houtsoort via CITES wordt gereguleerd, is dat geen bewijs dat de sterke vraag die soort beschermt. Het is juist een signaal dat controle op de handel nodig is om te vermijden dat die handel het voortbestaan van soorten of populaties bedreigt. CITES is bovendien geen duurzaamheidslabel. De fundamentele oplossing is daarom niet simpelweg alle tropische soorten vervangen door lokale soorten, maar de druk op een beperkte groep soorten verminderen en uitsluitend werken met aantoonbaar legale en verantwoord beheerde ketens.

"Niet al het tropische hout is fout, en niet al het lokale hout is automatisch duurzaam", vat Els samen. "Lokaal zegt iets over de afstand tot de groeiplaats. Het zegt op zichzelf nog niets over bosbeheer, verwerkingsrendement, levensduur of geschiktheid. We moeten zowel lokale als tropische bossen in hun diversiteit leren gebruiken, zonder meer te oogsten dan het ecosysteem kan dragen."

Lokale ketens vragen meer dan goede bedoelingen

Meer lokaal hout gebruiken kan transport beperken, regionale kennis versterken en economische waarde dichter bij de groeiplaats houden. Daarvoor moet echter een volledige keten functioneren: van bosbeheer en oogst tot verzaging, droging, sortering, certificering, voorraadbeheer en technisch advies. Wanneer lokaal rondhout de regio verlaat en pas als verwerkt product terugkeert, verdwijnen ook kennis en toegevoegde waarde uit de lokale economie.

De sector moet daarom niet alleen meer lokaal hout vragen, maar ook leren ontwerpen met wat het bos en de keten daadwerkelijk kunnen aanbieden. "Vergelijk het met een chef die met de oogst van het seizoen werkt", zegt Els. "We kunnen niet verwachten dat ieder bos op elk moment grote volumes van dezelfde afmetingen en dezelfde soort levert. Door vroeger met bosbeheerders, zagerijen en houthandelaars samen te werken, kan het ontwerp worden afgestemd op de beschikbare sortimenten."

Import is historisch vooral een vraag van aanbod

Het gebruik van lokaal en ingevoerd hout bestaat in Vlaanderen al eeuwen naast elkaar. Dendrochronologisch onderzoek toont dat lokaal hout werd toegepast in onder meer Ieper, Gent, Aalst, Brugge en Belsele. Voor grote stedelijke kapconstructies werd tegelijk vaak eikenhout aangevoerd uit de Maas- en Rijnregio en uit noordelijke handelsgebieden. De reden was niet dat lokaal hout als soort minderwaardig was. Grote bouwprojecten vroegen grote partijen met voldoende kwaliteit, gestandaardiseerde doorsneden en lange afmetingen. De kleine en versnipperde lokale bosbestanden konden die combinatie niet altijd in de gevraagde volumes leveren.

Ook voor de Belgische mijnbouw werd wel degelijk lokaal hout gebruikt. De latere dominantie van Scandinavisch naaldhout in de bouw is dan ook beter te verklaren vanuit beschikbaarheid: grote en constante volumes, voorspelbare kwaliteiten, grotere afmetingen en een goed uitgebouwde handelsketen. Zodra ontwerp, normering, handel en verwerking rond zo'n aanbod zijn georganiseerd, blijft de sector er gemakkelijk naar teruggrijpen. De uitdaging is dus niet alleen aantonen dat andere houtsoorten technisch bruikbaar zijn, maar ook de keten creëren die ze betrouwbaar op de markt brengt.

CASCO Natuurboerderij t Ename

Natuurboerderij Bos t'Ename

Natuurboerderij Bos t’Ename van murmuur architecten laat zien wat mogelijk wordt wanneer ontwerp, natuurbeheer, onderwijs en onderzoek samenkomen. Het populierenhout kwam uit het aanpalende bos en was beschikbaar door beheerwerken. Omdat er voor deze herkomst en toepassing geen Belgische visuele sorteernorm voorhanden was, sorteerden bachelorstudenten Houttechnologie van HOGENT het hout op sterkte aan de hand van een aangepaste Franse norm.

Bij visuele sterktesortering worden de afzonderlijke houten elementen beoordeeld op kenmerken die de mechanische prestaties kunnen beïnvloeden, zoals kwasten, vezelverloop, scheuren en vervormingen. Op basis daarvan wordt bepaald welke balken binnen de vereiste sorteer- en sterkteklasse mogen worden toegepast. Die klasse zegt iets over het gesorteerde constructiehout en over wat een balk onder vastgelegde voorwaarden kan dragen; ze is geen algemene uitspraak over wat een volledige houtsoort kan dragen.

"Sterktesortering gebeurt altijd wanneer hout constructief wordt ingezet", verduidelijkt Els. "De bijzondere uitdaging bij dit project was niet dat populier per definitie ongeschikt is, maar dat een passend Belgisch normatief kader en brede praktijkervaring nog ontbreken. Door het beschikbare hout te onderzoeken en correct te sorteren, maak je een veilige constructieve toepassing mogelijk en bouw je kennis op voor toekomstige projecten."

Duurzaamheid zit ook in het ontwerp

De houtsoort is slechts één onderdeel van de levensduur van een houten bouwdeel. De blootstelling aan vocht, de detaillering, de afwerking en het onderhoud zijn minstens even belangrijk. "Hout mag nat worden, maar het moet snel kunnen afwateren en opnieuw drogen", zegt Els. "Problemen ontstaan wanneer water wordt opgesloten of wanneer kopse kanten, aansluitingen en ventilatie onvoldoende aandacht krijgen."

Een zorgvuldige detaillering kan het toepassingsgebied van minder duurzame of minder bekende soorten sterk vergroten. Denk aan voldoende afstand tot de grond, afgeschermde kopse kanten, afwaterende vlakken, geventileerde opbouwen en onderdelen die bereikbaar en vervangbaar blijven. Ook een passend afwerkingsysteem en een realistisch onderhoudsplan horen bij de materiaalkeuze.

"We moeten niet voor elke toepassing de hoogst mogelijke natuurlijke duurzaamheid eisen", stelt Els. "Dat is vaak overkill. Vraag voldoende duurzaamheid voor de werkelijke blootstelling en combineer die met een goed ontwerp. Zo ontstaat ruimte voor een veel bredere waaier aan houtsoorten en gebruiken we de beschikbare grondstof zorgvuldiger."

Ontwerpen met wat het bos aanbiedt

De omslag die Els bepleit, is dus geen campagne tegen tropisch hout en evenmin een pleidooi om uitsluitend lokaal hout te gebruiken. Het is een oproep om de soortennaam niet langer als vanzelfsprekend startpunt te nemen. Een bestek moet de technische prestaties, de verwachte levensduur, het onderhoud en de aantoonbaar verantwoorde herkomst vastleggen. Binnen die randvoorwaarden moet de markt ruimte krijgen om geschikte alternatieven voor te stellen.

"We moeten stoppen met het bos te dwingen onze korte boodschappenlijst te produceren", besluit Els. "Laat het ontwerp vertrekken van wat duurzaam beheerde bossen ons kunnen aanbieden, lokaal én tropisch. Wanneer we de diversiteit van het bos koppelen aan kennis over prestaties en toepassing, spreiden we de vraag, benutten we meer van de beschikbare grondstof en kan houtgebruik het bosbeheer en de biodiversiteit ondersteunen in plaats van de druk telkens naar dezelfde soorten te verschuiven."

Deel deze pagina