Ongewervelden op De Breukberg: een verhaal van verdroging
Waar ooit constante kwel bijzondere soorten zoals de veenorchis en veenmos in stand hield, tonen recente bodemvalonderzoeken dat de fauna vandaag niet langer lijkt op die van een veengebied. De spinnen en loopkevers fungeren als stille getuigen: zij tonen dat het hellingveen van De Breukberg al grotendeels is verdwenen.
Tegelijk is er hoop, met het nieuwe kwelscherm kan de natuur zich herstellen, en toekomstige monitoring zal laten zien of het veen zijn karakter terugwint.
ADMIRE | 07/04/2026
Het dal van de Roode Beek
De Breukberg is een uniek, vochtig heidegebied in het dal van de Roode Beek, beheerd door Natuurmonumenten. Zoals de naam al doet vermoeden, kent het terrein grote hoogteverschillen. Hierdoor wordt regenwater door de bodem omlaag gevoerd tot het stuit op een ondoorlatende kleilaag. Dit veroorzaakt kwel: grondwater dat elders weer aan de oppervlakte komt. Onder invloed van deze constante kwelstroom is op het onderste deel van De Breukberg een bijzonder hellingveen ontstaan.
Dit veen vormt de thuisbasis voor een reeks bijzondere soorten die vaak Europees beschermd zijn. Zo is De Breukberg de laatste plek in Nederland waar de veenorchis nog te vinden is. Daarnaast herbergt het gebied soorten zoals groen en rood veenmos, beenbreek, veenpluis, kleine veenbes en lavendelheide.
Veen onder druk
Dit bijzondere habitat staat onder grote druk. Hoewel klimaatverandering een rol speelt, vormt vooral de aanleg van de N300 een bedreiging. Tijdens de aanleg is de Roode Beek, die onderaan in het landschap stroomt, verdiept en verlegd naar de voet van De Breukberg. Daarnaast zijn er diepe regenwaterbuffers aangelegd die de grondwaterlaag 'aansnijden'. Hierdoor wordt grondwater versneld en tot op grotere diepte afgevoerd. De kwel bereikt het oppervlak niet meer, waardoor het hellingveen verdroogt.
In het kader van het ADMIRE-project is inmiddels een kwelscherm geplaatst aan de voet van De Breukberg om de situatie te verbeteren. De noodzaak hiervoor bleek niet alleen uit de dalende grondwaterstanden; er is ook een bodemvalonderzoek uitgevoerd om de impact op de ongewervelden (spinnen en loopkevers) in kaart te brengen. De onderstaande resultaten zijn verzameld vóór de plaatsing van het scherm. In de toekomst zal een vervolgonderzoek uitwijzen hoe de gemeenschappen zich herstellen onder invloed van de nieuwe maatregelen.
Bodemvalonderzoek (Nulmeting 2024)
In 2024 werden bodemvallen (bestaande uit twee potten) geplaatst op De Breukberg. De val werd geplaatst ter hoogte van de groeiplaats van de veenorchis. Twee diergroepen zijn in detail bestudeerd: loopkevers en spinnen.
De locatie van de bodemval op De Breukberg. De locatie komt ongeveer overeen met de groeiplaats van de veenorchis en was een historisch oligotroof of voedselarm overgangsveen.
n° | Nederlandse naam | Wetenschappelijke naam | Aantal |
1 | Veelkleurige kielspriet | Poecilus versicolor | 17 |
2 | Koperen kielspriet | Poecilus cupreus | 13 |
3 | Moerasoeverloopkever | Elaphrus cupreus | 7 |
4 | Breedkopkruiper | Harpalus latus | 5 |
5 | Gewone glimmer | Amara lunicollis | 3 |
6 | Moerasbontloper | Acupalpus dubius | 2 |
7 | Grote zwartschild | Pterostichus niger | 1 |
8 | Kleine dwergloper | Microlestes minutulus | 1 |
9 | Kettingschallebijter | Carabus granulatus | 1 |
10 | Gewone breedborst | Abax parallelepipedus | 1 |
totaal: | 51 |
Soorten spinnen (Araneae) en hun aantal teruggevonden in de bodemval op De Breukberg in 2024
n° | Nederlandse naam | Wetenschappelijke naam | Aantal |
1 | Gewone wolfspin | Pardosa pullata | 86 |
2 | Kleine kampoot | Drassyllus pusillus | 32 |
3 | Gewone panterspin | Alopecosa pulverulenta | 26 |
4 | Latreilles kampoot | Zelotes latreillei | 14 |
5 | Gewone nachtwolfspin | Trochosa terricola | 9 |
6 | Bonte fruroliet | Phrurolithus festivus | 5 |
7 | Veldprobleemspinnetje | Agyneta rurestris | 4 |
8 | Gewoon contrastpootje | Walckenaeria atrotibialis | 3 |
9 | Gewone mijnspin | Atypus affinis | 3 |
10 | Harige muisspin | Drassodes pubescens | 2 |
11 | Gewone krabspin | Xysticus cristatus | 1 |
12 | Grasbodemkrabspin | Ozyptila trux | 1 |
13 | Heidesteatoda | Asagena phalerata | 1 |
14 | Roodkniedikpootspringspin | Sibianor larae | 1 |
15 | Gewone zwartkop | Euophrys frontalis | 1 |
16 | Bospiraat | Piratula hygrophila | 1 |
17 | Moeraswolfspin | Pardosa palustris | 1 |
18 | Zwartstaartboswolfspin | Pardosa lugubris | 1 |
19 | Gehoornd zonnedubbelkopje | Walckenaeria antica | 1 |
20 | Periscoopspinnetje | Walckenaeria acuminata | 1 |
21 | Krulpalpje | Tiso vagans | 1 |
22 | Bodemwevertje | Tenuiphantes tenuis | 1 |
23 | Deukkopje | Minyriolus pusillus | 1 |
24 | Aeronautje | Erigone dentipalpis | 1 |
25 | Donker tepelpalpje | Cnephalocotes obscurus | 1 |
26 | Steppekampoot | Zelotes petrensis | 1 |
|
| Totaal: | 200 |
Bij beide groepen zijn de meest gevonden soorten eurytoop (weinig kieskeurig). Sommige geven wel de voorkeur aan eerder vochtige habitats, zoals de koperen kielspriet (Poecilus cupreus) en de moerasoeverloopkever (Elaphrus cupreus), maar echte veensoorten lijken te ontbreken.
Er werden wel enkele zeldzaamheden waargenomen. Bij de spinnen is bijvoorbeeld de gewone mijnspin een leuke vondst. Opvallend is wel dat deze soort typisch is voor droge heide. Hetzelfde zien we bij de loopkevers, waar we de kleine dwergloper (Microlestes minutulus) als zeldzame soort aantreffen; ook dit is normaal gesproken een soort van droge, zonnige plekken.
Analyse: Is dit nog een veengebied?
Om de gemeenschap van De Breukberg te duiden, is een NMDS-analyse (Non-metric Multidimensional Scaling) uitgevoerd. In deze grafieken wordt de gelijkenis tussen locaties gevisualiseerd: hoe dichter twee punten bij elkaar staan, hoe sterker de soortensamenstelling overeenkomt. De vectoren (rode pijlen) komen overeen met de soorten en wijzen in de richting van de locaties waarvan het unieke karakter door deze specifieke soorten bepaald wordt. De data van De Breukberg zijn vergeleken met locaties uit Vlaanderen en Nederland binnen verschillende habitats, zoals natte heide, droge heide en veen.
Spinnen
De stress van de analyse is 0,142. Deze waarde wordt gebruikt worden om na te gaan hoe betrouwbaar de grafiek is. Over het algemeen wordt aangenomen dat een stresswaarde tussen 0.10 en 0.20 redelijk tot goed is. De grafiek is dus betrouwbaar, maar we moeten voorzichtig zijn met overinterpretaties van details.
Ruwweg lijkt de NMDS1-as overeen te komen met de vochtgradiënt, gaande van overgangsveen links naar droge heide rechts. Hoe meer een punt naar links staat, hoe vochtiger het habitat en hoe meer soorten zoals Pirata tenuitarsis (veenpiraat) er voorkomen. Meer naar rechts komen dan weer soorten voor zoals Pardosa palustris (moeraswolfspin) en Tiso vagans (krulpalpje). De moeraswolfspin komt, ondanks zijn Nederlandse naam, ook in drogere habitats voor.
De gradiënt van nat naar droog komt niet perfect uit de grafiek naar voren. Vooral de punten van de natte heide staan redelijk verspreid over de grafiek. Dit zou het resultaat kunnen zijn van het niet perfect afbakenen van de verschillende habitats. In principe vormt natte heide een continue gradiënt via oligotroof laagveen naar overgangsveen. Mogelijk sluit locatie VM1 toch dichter aan bij laagveen dan natte heide.
Het meest opvallende resultaat is dat De Breukberg ver verwijderd ligt van de typische veenhabitats. De locatie bevindt zich aan de rand van de cluster 'natte heide/vochtig heischraal' en neigt zelfs naar droge heide. Vectoren van zeer hygrofiele (vochtminnende) soorten zoals Pirata, Piratula en Dolomedes wijzen weg van De Breukberg, terwijl dit juist de soorten zijn die je in een gezond veen verwacht. De aangetroffen soorten zoals Tiso vagans (krulpalpje) en Pardosa palustris (moeraswolfspin) zijn eerder geassocieerd met open vegetatie in graslanden en heide.
Loopkevers
Ook bij de loopkevers correleert de NMDS1-as duidelijk duidelijk met de hydrologie. Al zijn hier links en rechts wel omgedraaid ten opzichte van de grafiek van de spinnen. Droge heide staat links en het zeer natte overgangsveen rechts.
Net als bij de spinnen wijkt de gemeenschap sterk af van de veen locaties. De samenstelling lijkt meer op die van vochtig heischraal en natte heide. De dominante soorten, zoals Poecilus versicolor (Veelkleurige kielspriet) en Amara lunicollis (Gewone glimmer), zijn eurytoop (weinig kieskeurig).
Conclusie en toekomst
De data van beide diergroepen laten zien dat de ongewervelde gemeenschap momenteel niet overeenkomt met die van een veengebied. De NMDS-analyses tonen aan dat de gemeenschap sterk lijkt op die van een (droge) heide. Ook de aanwezigheid van typische droge-heidesoorten, zoals de gewone mijnspin en de roodkniedikpootspringspin, bevestigt dat het geen veenhabitat meer is. Hoewel de vegetatie nog herinnert aan het oorspronkelijke hellingveen, bewijst de fauna de feitelijke verdroging.
Nu het kwelscherm geplaatst is, hopen we op ecologisch herstel. We verwachten dat de ongewervelde gemeenschappen zich in de toekomst weer richting de 'veen-cluster' zullen verplaatsen. Momenteel loopt er al een nieuwe bemonsteringsronde om de eerste effecten van het kwelschem te meten. Het is echter mogelijk dat effecten pas op de lange termijn zichtbaar worden, zeker omdat de meest kritische, vochtminnende soorten mogelijk volledig uit het gebied verdwenen zijn en de weg terug moeten vinden. Natuurmonumenten beoogt in ieder geval om de ongewervelde ook op lange termijn te blijven monitoren door het bodemvalonderzoek om de paar jaar te herhalen. Wordt vervolgd.
Wens je meer informatie over het kwelscherm?
Gerelateerd nieuws
Blijf je graag op de hoogte?
Schrijf je in op onze nieuwsbrief!